WARMOES — WARMMOES, WERMOES —, znw. onz., in enkele wdb. (vanaf CALISCH [1864] t/m KUIPERS [1901]) onz. (het gewas) en vr. (het gerecht), mv. warmoezen. Uit warm (I) en moes. Mnl. warmoes; mnd. warmôs; mhd. warmuos. Naast de gegeven nevenvormen zijn ook incidenteel spellingen aangetroffen als warremes, waermoes, wermmoes, wermoos en wermis.
1) Groente, moeskruid; inz. groene groente, bladgroente. Als gewas. || SASBOUT [1576]. Waerm-moes ... Olus, olus coctiuum, herba esculenta dicitur waermmoes, KIL. [1588]. V. DALE [1872 ®].
a) In 't alg. || Wermoes lie, wermoes lie, roepen dees wiven; krieclie, kerslie comen oock met hoopen, A. BIJNS (?) in Leuv. Bijdr. 4, 354 [voor 1540]. Ghy claddekens fier „ jent int bestier, Diet groen wermoes vercoopen, Comt al tot hier „ sonder dangier, En wilt v borss ontcnoopen, Antw. Sp. m iv rº [1561]. Wat dat profiter ware om de nieuwe vischmarct te verbeteren, soe met aldaer te doen staen die wermoes oft suvel oft hoenderen ende ander vogelen vercoopen, R.G.P. 75, 777 [1567]. Dat binnen Leyden geen broot en was, maer alleen gegeten werden asschecouxkens, wortelen, aiuwyen, looc ende ander wermoos, WOUTER JACOBSZ, Dagb. 433 [1574]. Sy (quam) naer huus ... met waermoes, die sy up de maerct gecocht hadde, bij CANNAERT, Bijdr. 485 [1604]. Dese vrouwen waren int veldt om warremes ofte groentte te plucken gegaen, Daghreg. Bat. 1628, 376 [1628]. Zyn Wel Ed. Gestr. gaf hem vryheid om een Beestje te weiden voor zyn huisgezin, en een stukje lands tot warmoes, Verh. Holl. Maatsch. Weet. 18, 590 [1778]. Hier zag men een schuitjen, dat met warmoes van over het meir aankwam, tegen een Enkhuizer jol stuiten, V. LENNEP, Rom. 5, 7 [1836].
— Warmoes scherven, hakken, groente snijden e.d. || Het quaet iaer bracht my oyt aen dees teve (t.w. "myn wyf"); Zy doet my den ketel, en den hanghel schueren, Het wermoes scherven, de pappe rueren, A. BIJNS in Leuv. Bijdr. 4, 320 [voor 1540]. An u moet ghi trecken des huus geheel bestier ...: Ghy en mueght den pap niet laten bederuen. Den pot moetti heeten, en dwarm moes scheruen, DE CASTELEIN, Const v. Rhetor. 156 [1548]. Non fortse, ick wil mij pijnen te spoene, Om dwermoes te schervene opt cort vermaen, Drie Esbat. 37 [1591]. Zy hackte warmoes, 't welck haer man noch daeghs voorheenen In 't kleene hofken pluckte, VONDEL 11, 569 [1671].
— Warmoes koken, zieden. || Voord zuldi twermoes coecken nae mijn vertellen, Esbat. v.d. Rode Lelije 131 [1559]. Om te weten hoemen warmoes, erten, pomeyen schuldich is te sieden, VORSELMAN, Coock Boeck (ed. COCKX-INDESTEGE) 117 [1560]. Koockb. 16 [1599].
b) In 't bijz. als ben. voor bep. soorten groente en veelal genoemd naast of tgov. andere groentesoorten, inz. peulvruchten (erwten), boonen, kool, wortelen. || Dair hij wilt saeijen wermoes oft coolen, in L. DE MAN, Brab. Oork. 147 [1537]. Martwijfs, of warmmoes wijfs, die op den mart voorstaen met alderhande groenicheyt, als rapen, wortels, caroten, cauwels, en warmmoes, Hist. v. Corn. Adr. 1, 60 b [ed. 1569]. Den voorsz Impost sal ontfangen worden by den Collecteur ofte Pachter ... twee stuyvers ende een oortgen ter Maent op elck gemeth Lants dat tegenwoordich besaeyt is met hart of weeck Koorn, ront of plat Saet, Peen ..., Latou ende Warmoes, Gr. Placaetb. 1, 1942 [1583]. 1, 1948 [1608]. Van alderley Groen, om te stoven, Spinagie, Biet, Krop-sala, Endivie ..., Warmoes, Artisocken, Verm. Landt-Lev. 3, 59 [1670]. Aen Warmoes, rapen en alderley Wortelen en Kool 6-0, Bewys Predik. Huysvr. 3 [1670]. Dat de Markt van Warmoes, Wortelen, Kool, Groote en andere Boonen ... by continuatie zal worden gehouden aan de Zuydzyde van de Groote Kerk, Keuren v. Haerlem 2, 340 b [1749]. Ned. Jaerb. 1749, 1042 [1749].
— Als ben. voor de prei (Allium porrum). || Minutal. Een pot pasteye, ghecapt vleesch, oft gheschærft waermoes, PALUDANUS 29 b [1544]. LAMBRECHT [1562].
— Als ben. voor een tweetal geslachten uit de fam. der Chenopodiaceae (ganzevoetachtigen).
Beta Tourn.; inz. de gekweekte hoofdvormen Circa L. (mangelwortel, die als veevoeder dient) en Rápa Dum. (suiker-, en roode biet) van de soort Beta vulgaris L. || HANNOT-V. HOOGSTR. [1704]. BINNART-DE WILDE [1719]. — De Beete is hier te Lande met den naem Wermmoes genoech bekent, DODON. 1054 b [ed. post. 1608]. HEUKELS 39 [1907]. Beta .... vulgaris var. Cicla ... italische beetwortel, mangelwortel, snijbeet, snijbiet, waarmoes, warmoes, GERTH V. WIJK, Plantnames 171 a [1911].
Atriplex Tourn.; inz. de soort A. hortensis L. (Tuinmelde), die ongeschikt is om als voedsel te dienen. || DE BO [1873]. Atriplex .... Hortensis L. Cosmopol. ... belle dame, hofmelde, luizenmelde ..., tuinmelde, waarmoech, warmoes, wermes, GERTH V. WIJK, Plantnames 148 a [1911].
2) Gerecht, gekookt of gestoofd, van veelal fijngehakte groente met verschillende toevoegsels; groenteschotel; stoofschotel; groentestoverij. Als spijs voor den mensch. || Wermoes oft pottagie van groene kruyden, SASBOUT [1576]. MELLEMA [1618]. BOMHOFF [1857]. V. DALE [1872 ® 1898]. KUIPERS [1901].
a) In 't alg. || Ende op dat hi mi seer lief mocht crigen soe soude ic hem teten geuen wermoes des noens op sint ians auont ghepluct, Euang. v.d. Spinr. D iiij rº [c. 1500]. Des sanderendachs (zal men opdienen) 'smiddags eerst gecruyt warmoes, hammen ofte scoeren, werenvleys, ende elc een pynte wijns, in E. Volk 11, 90 [c. 1550]. Omdat door dese groente (zeker kruid tegen scheurbuik), die sowel tot zalaet als warmoes ghebruyckt wierd, ons volck in seer korten tijd alt'saem op de beenen geraeckten en ververscht werden, continueerden wij alle dagen dese groente te halen, in VOORB. CANNENB., Nass. Vloot 79 [1624]. Ontrent 3 ueren voorden avont keerde onse vaertuijgen weder; brengende verscheijde monsters van Groenten ... eenige niet ongelijck Zeecker groente die aende Cabo de bona Esperance groeijt ende bequaem is als warmoes te gebruijcken, TASMAN, Journ. 32 [1642]. Men noemt in de kookerij ook Moes of groen Moes, ook war-Moes, een gestoof van deze of geene Moes- of keuken gewassen, CHOMEL 2167 b [1771]. Burgerlieden waren al wel tevreden met een schotel warmoes, een stuk koud vleesch en eenig fruit, SCHOTEL, O.-Holl. Huisg. 351 [1868].
— In toep. op groenteschotels van sla, postelein, spinazie. || Die oude menschen (moeten) scuwen ... coude wermoesen als latue, porceleyne ende dier ghelijcke, Tregement der ghesontheyt b iv vº [1514]. Hij roert er in (in de spinazie); hij vindt twee achterpooten Van d' armen kikvorsch, onder 't warmoes kort gehakt, STARING 4, 125 [c. 1824].
— Ook in toep. op een gerecht van o.a. witte kool, melk en vleesch. Vgl. voor een derg. gerecht GROENMOES (Dl. V, 848 e.v.). || Warmoes die goed is, word gekookt van 2 Mengelen Melk, 11/2 groote witte Kool, 1/2 kop haverdegort en 1/2 £ Tarwenmeel; 't vlees en worst is na elks verkiezing, BOEKENOOGEN [1897]. Volgens oude keukenrekeningen behoorden ook warmoes (uit kool, melk en spek samengesteld), rechte "kermiskost", "koecken van eijeren en poffenbroodt" enz. ... tot het derde gerecht, SCHOTEL, O.-Holl. Huisg. 325 [ed. 1904].
— Geklonterd warmoes, groenteschotel met stukjes spek en/of vleesch erin (?). || Het eerste gherecht ... Daer droncken zy toe goe claer Delfs wijn, Daer was gheclontert warmoes by, Spierinck en Pos en stock-visch oock, Bloem-Hof v.d. Ned. Ieught 188 a [ed. 1610].
— In toep. op een moes van populierebladeren, als geneesmiddel. Vgl. voor de geneesk. toep. van de bladeren en knoppen van een populier b.v. ook Mnl. W. i.v. popelbotte en -knoppe, alsmede POPULIERZALF (Dl. XII2 , 3476). || Rasent hi (de patiënt) oec luttel op, salmen hem saluen die borst met oly die is ghemaect van fiolen ende hi sal eten warmoes dat van pople ghemaect is met smoute, in BRAEKMAN, Mnl. Recepten 150 [begin 16de e.].
— Kort, resp. lang warmoes, groenteschotel van fijn gehakte, resp. in zijn geheel of grof gesneden gekookte groente (?), dan wel een derg. gerecht van een korte dan wel een lange soort groente. Vgl. in dit verband ook de 3de aanh., waarin het woord historiseerend wordt gebruikt, de eerste maal echter in de verb. koud warmoes (of is dit te lezen als kort warmoes ?). || Op Dinghsdagh des middaeghs tot voor-spijs, kort Warmoes, groen ofte van Kool, voor het tweede Gericht, gesprenght ofte gesouten Vleesch enz., Gr. Placaetb. 1, 297 [1631]. Op Vrydagen des middaeghs tot voor-spijs, graeu Erreweten, Knollen ofte Kool, langh Warmoes zijnde gestooft, voor het tweede gericht Visch, 1, 298 [1631]. Doorgaans bestond het eerste geregt uit de potagie, b.v. uit groene of graauwe erwten met boter en ajuin, ... tweebak of grutten gestoofd, koud warmoes met kool gestoofd, langwarmoes, groene erwten met boter doorregen of overgoten enz., SCHOTEL, O.-Holl. Huisg. 349 [1868].
— In een woordspeling met de gedachte aan de bet. ‘lijdzaamheid, geduld’ van patiëntie, dat ook dient als ben. voor een soort zuring (vgl. Dl. XII1, 786). || Yder man kan een quaed wijf regeeren, behalven die-ze heeft. Wat raed dan voor een, die een tafel zoo gheschotelt heeft? niet beter, als een warmoes van patientie, op de maghe, te leggen, DE BRUNE, Bank. 2, 322 [1658].
— In een zinspeling in toep. op de schotel linzen, voor welke Esau zijn eerstgeboorterecht verkocht aan zijn jongeren broeder Jakob (Gen. 25, 29-34). || Honger is toch een scherp zwaard, en er zijn van ouds voorbeelden voorhanden, dat sommige lieden ... wel eens al hun geluk en welvaart voor een potje warmoes verkocht hebben, FOKKE, B.R. 2, 53 [1809].
b) In 't bijz. in toep. op een met water (of melk) tot soep verdund gerecht; groentesoep. || Pottagie oft warmoes. Neemt cruyt daertoe dienende, moescruyt, doeget wat in heet water dan schervet cleyne, daer na vrivet wel in eenen mortier enz., VORSELMAN, Coock Boeck (ed. COCKX-INDESTEGE) 120 [1560]. Somma om den honger te stoppen van alle gerande groene cruijden, die men aen die vesten ofte wallen hebben conen crijghen, heeft men waermoes af gemaeckt, VERWER, Memoriaelb. 103 [1573]. Wy gaven ons volc ... ses mutsgens water, en koockten een groote ketel warmoes van dat groene kruyt als tuynkars ..., daer van het volc merckelijcke baet ende verquickinge creghen teghen het scheurbuyck, O.-I. e. W.-I. Voyag. 9, 165 [1600]. Klaer waerje, had' jet graen, slegs tot de rysten-bry! Ajuin, en kool en spek, goet kruit is tot het wer'mis, En wermis kermis-kost; voorseker is het kermis; Jae kermis in de kroft; men byt 'er in de worst, OUDAAN, Poëzy 2, 137 [1646]. Warmoes, voor de Vasten hoe men die maaken zal. Neemt allerhande moeskruiden, hoe jonger hoe beeter, en verleest en wascht die wel enz., Holl. Keukenm. 132 [1746]. Warmoes die goed is, word gekookt van 2 Mengelen Melk, 11/2 groote witte Kool, 1/2 kop haverdegort en 1/2 £ Tarwenmeel enz., in BOEKENOOGEN [eind 18de e.].
c) In eenige spreekw., fig. uitdr. en zegsw.
— Het zal een vreemde warmoes zijn, het zal een verwarden toestand geven, een janboel, een rommeltje worden. || Coempt laet ons gaen den blinden leyen! Eer dat wy schyen salt noch een vremdt wermes syn: alst regent en die son schynt moet in die helle kermes syn, Hass. Sp. 33 [2de h. 16de e.].
— Kool is kost en warmoes is eten, zie voor de bet. KOOL (II) (Dl. VII2, 5349). In de 2de aanh. met de toevoeging dat staat in den Bijbel geschreven. || Kool is kost, en warmoes is eten, HARREB. 1, 186 b [1858]. Kool is kost en warmoes is eten, dat staat in de bijbel geschreven, BOEKENOOGEN 2, Aanh. 1 (ed. 1971) [1930].
— Die op warmoes drinkt, verkrenkt zijn maag. || Die op pottage, of warm-moes drinct, Verkrenct zijn maegh' meer als hy dinct, DE BRUNE, Spreeckw. 169 [1636]. HARREB. 2, 44 a [1861].
— In eenige zegsw. waarin sprake is van het voor de eerste maal eten van warmoes, ter uitdr. van een zeer jongen leeftijd.
Van dat hij zijn eerste warmoes at, vanaf heel jongen leeftijd, nl. van het moment af dat hij overging van de moedermelk op gewoon voedsel; van kindsbeen af. || Van dat hi sijn eerste wermoes adt, SERVILIUS 1, b [1543]. HARREB. 2, 436 b [1861].
Die hun eerste warmoes eten hebben nog geen gesloten hersenpan, bij hen is de fontenel nog niet gesloten, zij zijn dus nog zeer jong. || Die haer eerste warmoes noch eten, en hebben de herssen-pan noch niet gesloten, BURGHOORN, N. Wer. v. Gecken 60 [1641]. HARREB. 3, CXXIII a [1870].
— Gij zult gestooten warmoes eten. || Ghy sult gestoten wermoes eten, SARTORIUS III, 10, 41 [1561]. DE BRUNE, Spreeckw. 469 [1636]. Gij zult gestooten warmoes eten. Men zegt dit tot een' hongerig' mensch; omdat de hongerige alles eet, wat hij krijgen kan, HARREB. 2, 436 b [1861].
— Verhapt u niet in uw warmoes, neem niet meer op je dan je aankunt, of: neem er niet te veel van (gezegd als er maar weinig is). Vgl. verhappen, 2) (Dl. XIX, 2393). || Verhapt v niet in v warmmoes, SARTORIUS I, 6, 90 [1561].
— In toep. waarin iem. of iets vergeleken wordt met warmoes zonder spek, ter uitdr. van armelijkheid, armzaligheid. || De honderste Penningen hebben de Juffers, die niet ryk waaren, doen aanzien als warmoes zonder spek, en daarom kregen zy geen naalde op haar compas, DOEDYNS, Merc. 1, 137 [1697]. Dat is warmoes zonder spek. Men zegt in gelijken zin: Het is mager moesje zonder spek, HARREB. 3, XCII b [1870].
— In een zegsw. met als bet.: van den een slikt men alles en van den ander niet het geringste. || Zij zouden den een het warmoes wel uit de tanden likken, en den ander gunnen ze niet, dat hij het uitwerpt, HARREB. 3, CLXXVIII a [1870].
— In eenige zegsw. met als bet.: haastige spoed is zelden goed. || Weest niet alte haestich ende hettich in v waermoes, SARTORIUS I, 1, 33 [1561]. Hy is dick alte haestich in sijn warmmoes, II, 4, 61 [1561]. Ghy sijt alte haestich in wermoes, III, 3, 92 [1561].
— Hij likt zijn vingers zoo smakelijk als een boer, die warmoes eet. || HARREB. 1, 71 a [1858].
— Water op je warmoes en met bloote beenen naar bed, als schertsende bedreiging voor kinderen. || BOEKENOOGEN 2, Aanh. 1, 515 b (ed. 1971) [1930].
Afl. — Warmoezenier, -zerij, -zier (zie die woorden).
Samenst. en samenst. afl. Als tweede lid o.a. in: kervel-, knol-, kool-, lang-, roerwarmoes.
Als eerste lid in: warmoesbol, gehaktbal bestaande uit gehakte groente, vleesch e.d., of bol van een bolgewas of bolvormige groente (ui, kool e.d.) (?); vgl. in dezen laatsten zin BOL (I) (Dl. III1, 286). || Frederick de Voocht van Rijneveld, dolle, Van bontwerckers ende brouwers zijt ghy gekomen, U over-oude-moeder sat t'Amsterdam, verkocht warmoesbollen, Hoe zydy nu dus uytgenomen, Dat ghy van de Coenroetsen wout zijn geacht? in V. VLOTEN, Geschiedz. 1, 192 [1528].
— Warmoeseter, die warmoes eet; in de aanh. (in het mv.) als scheldnaam voor de inwoners van Koolkerke (W.-Vl.). || Adieu oock ... RoomEters van moerbeke, ghy zonder Poer ende WaermoesEters van coolkercke snelle Adieu, DE DENE, Test. in Jaarb. "De Fonteine" 29, 209 [1560].
— Warmoesgilde, gilde der warmoeziers. || Deecken ende Hooftman van het Warmoes-gilden binnen Leyden, BORT, Dom. 50 b [c. 1670].
— Warmoesgroen, zekere groentestoofschotel. || De schaffmeester wert gehouden dagelycx ten behoorlycken uyren ... aen te rechten: ... Op Dynsdagen des middachs tot voorspijs kort warmoesgroen ofte van kool, R.G.P. 29, 273 * [1631].
— Warmoeshof. 1º. Groentetuin, moestuin. || KIL. [1588]. V. DALE [1872 ®]. — Hyer bij is oeck ene wermoes hoff vol ghaten ende holen, daer oock veel heiligen hoer selven in verburghen hadden tempore passionis, in Bijdr. Gesch. Bisd. Haarlem 11, 91 [1525]. Wy sullen ... beghinnen te beschrijuen de Houen, en ten alder eersten den Warmoes hof, de welcke afghedeylt ende gheschickt is gheweest neffens den Cruydt-hof, STEVENS en LIEBAUT, Landtw. 180 [1582]. Dat mijne Heeren van den Gerechte ... interdiceren ende verbieden ... eenige erven te hoogen in eeniger manieren ...: uyt geseyt 't hogen van ... Warmoes-hoven, ende 't stellen van Ramen, Handv. v. Amst. 1008 a [1589]. De Netele des Zees, op hare styve lippen End over t'gladde lijf een schadelijcken brand End heete cole draeght, die op de stoute hand Een vier'ghe bleyn' ontsteeckt, als in de warm-moes hoven Het cruyd'ken Roer-my- niet, een vier niet om verdoven In sijn groen bladen voedt, V. BORSSELEN, Strande 32 [1611]. Warmoes, Ajuyn, Wortelen ..., en alle andere diergelijcke Vruchten, die men in Warmoes- Hoven gewoon is te teelen, BORT, Dom. 50 b [c. 1670]. Eenen woonhuijse, stallinghe, schuere, met voordere Edificien ende gronde van Erve dyer met den Warmoeshof, in GOOSSENAERTS [1778].
2º. Boomgaard (?). Vgl. ook de volg. alinea. || Inden yersten de hoeve te wetene huysinghe met schuere etc metten wermoes hoff oft bogaert, in GOOSSENAERTS [1539].
Hierbij: warmoeshofboomgaard, combinatie van groentetuin en boomgaard (?). || Al tgunt, dat licht ... noortwart lancx den wech tot Coppen int warmoeshofboomgart ende vandaer streckende noortwart uuyt voorby Adriaen van der Hoogens boomgaert, R.G.P. 54, 640 [1546].
— Warmoesketel. Zie Dl. VII1 , 2506.
— Warmoeskom, kom om warmoes uit te eten. || 4 Mostert potten, 10 warmoes commentjes, 1 lampet, 2 trechters, 1 waterpot, 2 half pintjes, 17 stuck silvere lepels ende een beecker enz., Dagreg. S. Jorge da Mina 370 [1645].
— Warmoeskoopster, groenteverkoopster, -vrouw. Alleen in de wdb. aangetroffen. || HALMA [1778]. KUIPERS [1901].
— Warmoeskop, soepkop. || Wy creghen van haer (zekere inboorlingen) een Warmoescop, en een Schotel seer grof, met root en groen gheschildert, 't was Porceleyn, daer zy seer licht afscheydeden, Ontdekkingsr. v. Le Maire en Schouten 1, 88 [1616]. 16 Groote holle commen, 33 quaert en warmoescoppen, 6 cleyne pimpeltgens enz., Econ.-Hist. Jaarb. 10, 180 [1622].
— Warmoeskruid, (blad)groente. || JUNIUS, Nomencl. 130 a [1567]. HEREMANS [1869]. — Ende dieghene, die mit warmoescruyt ende diergelijcke groene wairen ter marct comen, sullen staen in gaerde noortwaerts upgaende, Rechtsbr. v. Gouda 362 [1521]. Dog alles was buyten des tijts, vermits het nu somer alhier begonde te werden ..., soodat wij tot onse ververschinge niet anders dan warmoeskruyden en wat wortelen en artisocken konden krijgen bij dese tijd des jaers, J.M. V. RIEBEECK, Br. 47 [1676]. Van alle de Warmoes-Kruiden, die Rechttydig in deeze Maand zyn, is de Zuuring zekerlyk een van de beste, zynde Bloedzuiverende en verquikkende, Holl. Huyshoudster 89 [c. 1780].
— Warmoesland, (stuk) land, waar groenten, moeskruiden geteeld worden. || HEXHAM [1678]. V. DALE [1872 ®]. — Een stuckgen warmoeslandt, groot omtrent een hondt, by den hoop zonder maet, gelegen in Leyderdorp, Kenningb. Leiden 1, 47 [1570]. Alle Erven, Boomgaerden, Kruyt-hoven, Speel-hoven, Warmoes-landen ..., vande welcke eenige Vruchten ofte Inkomsten ghetrocken worden, Gr. Placaetb. 1, 1528 [1635]. Rontomme becinghelt zijnde, met ontelbaere Lust-hoven ofte Thuynen ..., schoone hooge Weylanden, groene Beemden, goede Coorn-landen, Warmoes-landen, ORLERS, Beschr. v. Leyden 3 [1641]. Het (is) ook beter, dat men de akkers der Warmoes-landen in het voor- als in het na-jaer spit, DE LA COURT V.D. VOORT, Landh. 311 [1737]. Biljet van verhuring van warmoeslanden door gemelden Heer van Schagen, Bijdr. Gesch. Bisd. Haarlem 4, 397 [1876].
— Warmoesman (-lieden, -luiden). 1º. Persoon die groenten teelt voor den verkoop; warmoezier, hovenier, tuinder. In de 5de aanh. mog. ook in den zin van: iemand die den tuin van een ander aanlegt en/of onderhoudt; tuinman, tuinbaas (vgl. hovenier, 2) (Dl. VI, 1205). || KIL. [1599]. — Item ontf. van Evert, die wermoesman, van dat hy Jonge Dirck angeseyt heeft, dat hy sijn loon onthouden hadde, die twiedeel van 2 R. gld., facit 35 sc. 4 d. 8 m., R.G.P. 14, 212 [1502]. Ende de ruychte zal men mede wech moeten doen precyes vóór deselve tijdt ende die zal men mogen brengen in de put achter de Waegh. Welcke ruychte oock de warmoesluyden in de geheele weeck duer noch sullen moeten brengen, eer dat sij van de marct scheijden, bij BIK, Medisch Lev. 511 [1614]. Ick (moet) alhier mede gedencken het Gilde vande Warmoesluyden, het welcke alhier veel grooter ende meerder is als in eenige gebuyr-steden, ORLERS, Beschr. v. Leyden 264 [1641]. De Warmoeslieden (Hoveniers) (opschrift), J. GAILLIARD, Amb. en Ner. Brugge 2, 181 [1854].
2º. Soms ook: boomkweeker. || Is gheconsenteert tot verzoucke ende begheerte van alle die wermoesluyden, die eynten ende jonge bomen jairlicx teelen, ende carreluyden, dat enz., Rechtsbr. v. Gouda 240 [1521].
— Warmoesmand, groentemand. || Een Vlaems spinwieltgen mit een ander spinwieltgen; 8 warmoesmanden, zoe nyeuwt als out; een visthon; 5 haspelen enz., R.G.P. 140, 527 [1585].
— Warmoesmarkt, groentemarkt. || PALUDANUS 5 d [1544]. WEIDENBACH [1808]. — Alhier scheyden haer drie wegen, een na der Chinesen cramen, den tweeden nae de groen oft Warmoes merckt, ende de derde na de vleesch merckt, O.-I. e. W.-I. Voyag. 2, 44 c [1598]. C.P. HOOFT, Mem. en Adv. 2, 367 [1605].
— Warmoesnering, groentehandel. || Geen warmoes-neeringe, noch oock eenige leveringe van eenigerhande warmoes-vruchten ... te doen, Keuren v. Leyden 76 [ed. 1658].
— Warmoespot. 1º. Pot om groente (met evt. toevoegsels) in te koken of stoven. || Die man sal alle sijne kleederen nemen, sijn gordel, sijn harnas ..., een spade, sijn warmoespot den besten sonder een, een lepel ende mes, bij V. AELST, Oudewater 500 [c. 1510]. Een grooten ende cleynen (koperen) wermoespot, in WEYNS, Volkshuisraad in Vl. 428 [1539].
(Spreekw.) Kleine warmoespotjes preutelen ook, hoe gering of onbelangrijk een spotter ook is, zijn spot kan toch groote schade aanrichten. || Het heeft v gelust met dit Concilie (t.w. dat van Trente) ... uwen spot te houden, ende de gheheele authoriteyt vant Concilie te ver-blaesen (want kleyn warm-moes potkens preutelen oock), REINERI, Verantw. 21 [1605].
In een zei-spreuk. || Elk wat, (sey de Warmoespot) dan heeft niemand te klagen, Lyste v. Rar. 1, 210 [1706]. HARREB. 2, 196 a [1861].
2º. Stoofschotel van groente (met evt. toevoegsels); groentestoverij. || Baasje van Schaagen, Doet de Steêgang voor zyn Wyf ...; Wyl zyn Vrouw hem t'huis verbeid, En de Warmoespot bereid, V. GYZEN, Verm. Buitenlev. 51 [1716].
— Warmoesschotel. || Item dat nyemant wermoesschotelen, souzieren, soutvaten, maten, trejoren, stroylpotten ofte schelen van steenen, pothens maecken en sal dan van stoff geheyten graauw teen, in Ambachtsg. 's-Hert. 1, 399 [1503]. In de bottelarie: 3 plateelkens ..., 2 warmoesschotelen, ende een cleyn keteltgen, R.G.P. 141, 142 [1568].
— Warmoesschuit, boot voor het vervoeren van groente (naar de markt); snebschuit. || Voor ider Schutting (zal) betaelt moeten werden als volgt: Van een vlot, of dubbelde modderschuyt 2 st. ... Een Warmoes of Snebschuyt 1 st., Handv. v. Amst. 319 b [1697].