|
Bij het Leger des Heils
De man
in de hoek murmelt 'Voor de steen die opgegooid wordt is het
geen nadeel naar beneden te komen en geen voordeel om omhoog te
gaan.' Marcus Aurelius denk ik. Hij zit alleen aan een tafel
en zij die hier zitten zijn degenen die omlaag gevallen zijn: de
koffieopvang van het Leger des Heils.
Ik heb
me niet geschoren vanochtend, maar toch ruiken ze dat ik anders
ben, met een weekendbaard kom je hier niet weg. De nieuweling, het
groentje, dat de regels van de straat nog moet leren en die
misschien nog geld op zich heeft, leergeld voor de harde les dat
hij dat nooit meer terug gaat krijgen. Zelfs de onderkant van de
samenleving heeft zijn beursvloer.
Of zij
van hun val omlaag nadeel hebben ondervonden? Niets hier wijst er
meer op. 'Mensen zijn in hun eerste weken nog te redden',
zei degene die hier de tent draait me ooit. 'Daarna vervallen
ze in de jungle van de straat.' En de regelmaat van de
opvangplekken, de koffie hier en de boterhammen. In lange niet
zo'n ouderwetse boterham gezien.
Ab
schuift aan en wil z'n verhaal wel kwijt. Komt uit Brabant, woonde
bij z'n moeder en toen die stierf is hij gaan lopen. Gaan lopen zo
zegt hij het alsof het compleet logisch is. Hij is al zo'n
vijfentwintig jaar op de straat, maar - zegt hij - de romantiek
van het zwerverschap is er wel vanaf. 'De junks hebben het
kapot gemaakt.' Hij heeft een vaste plaats, onder een
brug waar de soepbus van het Leger hem ook 's winters niet weg
krijgt. 's Middags gaat hij naar de leeszaal van de bibliotheek,
want z'n been wil niet meer zo voor het leven op de straat. De
kranten lezen van een wereld die de zijne niet is.
Een
ander somt z'n leven op. Een klein, vast clichématig verhaal: baan
op de bus kwijtgeraakt, de vrouw dus weg en daarna al zijn geld
aan Freddie geschonken, misschien - denk ik - dat zijn vrouw de volgorde
anders zag. Hij ziet de inmiddels dode Freddie
Heineken nog dagelijks op straat. Of ik vijf euro voor hem heb tot
volgende week. Op mijn nee, houdt zijn levensverhaal abrupt op. En
zijn blik maakt me bang voor het einde van het mijne.
Dan is
de koffie-inloop over. De straat wacht. De eenzame man in de hoek
murmelt nog steeds maar nu geen citaten van Romeinse keizers meer,
met de klassieken redt je het op straat niet. De rest heeft
plannen voor hun leven, plannen die niet verder dan een uur
reiken. Vooruitzien is hier nooit verder dan één biertje. |