|
geen bril
nodig hebt om minder te zien. 'Haar man die was al overleden',
alsof dat iets bij zou dragen aan het haar niet meer zien. Alsof die
blonde van de gracht haar laatste gang in zwart had gemaakt, als een
blonde Indiase weduwe.
Het was een
gezelschap dat ietwat uit balans was, zij met haar man en een meer met
haar bevriend
homokoppel. En ze nam het van die scheve weegschaal. Haar lange
lofuitingen op zijn jasje en het bevestigen daarvan door die twee, deed
hem het jasje steeds ongemakkelijker doen voelen. 'Het staat hem zo
goed!' Maar de man die alles in zich had om geen Don Juan te zijn,
wilde het ding inmiddels liefst zo snel mogelijk kwijt. Hij trok nog
eens aan zijn sigaret, een in zich bezorgde haal die hij wegspoelde met een
volgende teug bier en wilde er tenslotte niet in begraven
worden. Zij verheugde zich echter met stelligheid in haar overtroef.
Ze zouden nog
gaan eten besloot zij. Al dat sterven om hen heen noopte naar maaltijd
en thuis restte slechts een bevroren zalm. Maar zij wilde meer bier, niet
nog meer opbakken van dood wezen. Haar man belde dan maar een restaurant
en liet het op zijn amicaalst klinken. Zin had hij er duidelijk niet in. Deed hem maar die ontdooide vis.
Toen begon ze
nog maar een tweede keer over dat beige jasje wat hem zo goed zou staan
en dat bij hem inmiddels bijkans de staat van notarieel vastgelegde
verbranding voor de ter aarde bestelling had bereikt. De man ging er in
zijn jasje steeds meer uit zien als een teckeltje met een dekje.
'Over een
kwartier hebben we een tafel', zijn stem klonk tergend naar
galgenmaal. |